Terug naar Schrijfwerk

Sweet Sarajevo

Een paar herfstdikke regendruppels spatten uit elkaar tegen het glas. De ruitenwissers beginnen zich moeizaam op te richten. Linksboven mijn hoofd bengelt een donkergroene Wunderbaum. ‘A true classic’. Het cassettebandje op het dashboard herken ik niet. Ik zie verder ook geen cassettespeler in deze auto. De man naast me is kromgetrokken. Maar dat is iedereen hier. ‘Naar het vliegveld alstublieft.’ Korte stilte. ‘Gaat u terug naar huis, jongedame?’ Natuurlijk weet hij dat ik hier niet thuis ben. Hij ruikt het aan mijn parfum, hij ziet het aan de zuinige manier waarop ik van mijn appel eet, maar vooral hoort hij het aan mijn ongelukkige naamvallen. ‘Amsterdam, meneer’. Voor het eerst kijkt hij me recht aan. Wakkere blauwe ogen in een diep gegroefd maanlandschapschap van een gezicht. ‘Jouw vader was een verstandig man, mijn kind’.

Er zijn maar twee soorten Bosniërs. Zij die bleven: de inwoners. En zij die gingen: de diaspora. Twee soorten die elkaar tot in den treure benijden. De inwoners beklagen zich over hun diepgaande liefde die ze in oorlogstijd aan het vaderland geketend hield, waardoor ze zich nu opgesloten voelen in een uitgehold, kansarm land waar al het talent en alle hoop uit weggevloeid lijkt. De diaspora beklaagt zich op haar beurt over de ontworteling, over de identiteitscrisis, over je nooit meer echt ergens thuis voelen, over kapitalistische complotten, over het smakeloze westerse eten, over de regen, over het individualisme, over mensen die je moet opbellen voordat je langsgaat, over karige koekjes bij de koffie, over het platte landschap, over het gebrek aan respect voor ouderen, en over de zwarte stenen in hun buik, gecreëerd door een giftige mengeling van schuldgevoel en heimwee.

‘Zal ik je laten zien van welke man ik het meest hou, op mijn overleden vader na?’ Ik heb een vermoeden. Terwijl hij vol op de rem gaat staan en ik gordelloos (op zijn aandringen) bijna tegen het dashboard klap, wijst mijn chauffeur, met een manische glans in zijn ogen, naar het standbeeld van Josip Broz Tito in een tuin rechts van me. Een monoloog, die ik nog vaker hoorde dan het zijn of niet zijn van Hamlet, rolt uit de mond van de man naast me, een nieuwe acteur in een al te bekende tragikomedie waar het publiek maar geen genoeg van krijgt. Of misschien is het publiek al lang naar huis, maar blijven de acteurs spelen in een eindeloze herhaling van hetzelfde stuk, bang om de realiteit onder ogen te komen.

‘Toen deze man aan de macht was, meisje, leefden wij in een aards paradijs. Iedereen ging naar school, iedereen had een woning, iedereen had werk. Die mooie man, dat mooie Joegoslavië, alles is naar de kut van z’n moeder gegaan.’ (Hij doelt hier niet op de kut van Tito’s moeder. Eerder op de algemene kut van het leven.)

Hij scheurt over het asfalt alsof we achterna gezeten worden door bulderende tanks en sniperkogels. Ik stel me voor hoe hij met me de bergen in wil vluchten en vraag me af of er nog proviand in zijn achterbak ligt. Maar waarschijnlijk is hij gewoon bang dat ik mijn vliegtuig mis en hij de rest van de nacht opgescheept zal zitten met mijn blakende diasporageluk. Ik pers het klokhuis in mijn hand fijn terwijl hij een verkreukte Ford Focus rechts inhaalt. Hij gorgelt en slikt zijn slijm

door. Mijn vingers kleven van de appelplak. We zitten zij aan zij onsmakelijk te wezen. De man gaat verder: ‘Nu, achteraf gezien, dank ik god dat ik maar één dochter heb gekregen. Volgend jaar schop ik haar met pijn in het hart voorgoed dit land uit.’

De zwarte steen in mijn buik begint te groeien waardoor hij tegen mijn ribben drukt. Mijn eten komt omhoog en we moeten nog zeker een kwartier tot het vliegveld.

Mijn vroegste herinnering aan dit land is iets rustigs, iets dat het geluk heeft gehad nog net herinnerd te zijn voor de onrustige herinneringen aan de vlucht met mijn moeder en daarna, scherper, de herinneringen aan het asielzoekerscentrum. Mijn vroegste herinnering is namelijk soep met letters erin. Kleine letters van deeg in kippenbouillon. Mijn mond was te klein voor penne rigate, en eten vond ik toch leuker als ik er mijn eigen naam mee kon spellen. Wanneer ik terug ben in Bosnië komen er met vrijwel iedere hap die ik neem vage nieuwe beelden aan vroeger bij. Maar niemand schotelt me meer soep met letters voor en dat vind ik op een merkwaardige manier heel pijnlijk. Alsof soepletters, het enige wat ik nog duidelijk weet van voor de oorlog, door een kwade macht uit het assortiment zijn geschrapt.

Door het raam zie ik een jonge vrouw in een lange beige jas tegen het stoplicht leunen. Het voetgangerslicht is al een tijdje groen, maar daar lijkt ze zich niet van bewust te zijn. De mensen krioelen over het zebrapad en langs haar heen, toch blijft ze als verstijfd op de stoeprand staan. Alsof de volgende stap die ze zet er eentje is die goed moet worden afgewogen. De dappere versie van mezelf was uit de auto gestapt en had haar hand gepakt en naar de overkant geleid. Maar ik ben geen ridder en zij ziet er niet uit alsof ze gered wilt worden. Als ik de beige jas aan had gehad en zij met een klokhuis in haar hand in de passagiersstoel had gezeten was het misschien anders geweest.

Bij ieder stoplicht kijk ik naar buiten, en zie ik een mogelijke versie van mezelf, wie ik geweest was als mijn vader geen slimme man was geweest.
Het afgepeigerde meisje met de twee kinderen in de versleten kinderwagen voor de ingang van het winkelcentrum, de studente met de lichtroze hoofddoek, koukleumend voor de economiefaculteit, het rokende meisje achter het caferaam dat met een verslagen blik naar de voorbijgangers kijkt.

Het hangt maar net van het moment af of ik denk dat deze vrouwen, deze mogelijkheden van wie ik had kunnen zijn, gelukkiger zijn dan ik nu zelf ben. Maar ik drink niet genoeg om ooit echt in mijn eigen onzin te gaan geloven.

We zijn dichtbij het vliegveld nu. Een paar straten te gaan. Er loopt een groepje Arabische touristen gekleed in nikab over de stoep. ‘God bewaar ons, die ninja’s nemen nog een keer de hele stad over.’ Ik lach iets te hard om de ninjavergelijking. Hij is verbaasd dat die grap nog op iemand werkt en kijkt me aan met de hoopvolle blik van iemand die voor het eerst zijn goocheltruc laat slagen. Ik besef dat ik de humor van mijn geboorteland vergeten ben en ik voel dat er iets begint te scheuren in mijn buik.

We rijden de parkeerplaats van het vliegveld op. Geen van ons tweeën maakt aanstalten om uit de auto te stappen. Hij friemelt aan zijn jas. Ik hoor zijn hart kloppen in mijn keel. ‘Als jij nu tegen mij zou zeggen, dat ik met je mee kon naar Amsterdam, dan zou ik mijn taxi parkeren op het vliegveld en zonder achterom te kijken met jou in het vliegtuig stappen. Ik zou gaan werken als vuilnisman, m’n dochter zou kunnen gaan studeren in Praag, en we zouden het honderd keer beter hebben dan thuis.’

Bij het woord ‘thuis’ knapt de steen in mijn maag. Het voelt alsof er een zwarte inktachtige vloeistof uit stroomt die eerst mijn longen en dan mijn aderen vult. De vloeistof borrelt op door mijn luchtpijp en begint via mijn neusgaten uit me te stromen. Het druppelt uit mijn ogen en drukt tegen de binnenkant van mijn linkeroor. Het vloeit uit mijn ontelbare porieën en bedekt me onder een stollende, zwarte klei. De klei vult verraderlijk snel de hele auto. De Wunderbaum glijdt van de achteruitkijkspiegel. De zwarte vloed stroomt ruiten brekend de straten, de huizen, de kinderkamers in. Het mengt zich met het water in de rivier en spoelt hele wijken om. Tot de hele stad bedekt is. Tot we allemaal veranderd zijn in klei. Tot niemand zich meer schuldig voelt over waar hij heen gegaan of gebleven is.

‘Juffrouw moet ik de verwarming wat hoger zetten? U ziet eruit als een ijsblokje met lippenstift’.
Ik geef de taxichauffeur al het geld dat in mijn portemonnee zit. Hij glimlacht naar me, met een glimlach zo volmaakt dat hij me kromtrekt. Herfstdikke regendruppels spatten uit elkaar tegen het glas.

 

Daria Bukvić voor DAS MAGAZIN, december 2016